Budo
Budo (武道) en Bujutsu(武術) zijn termen voor Japanse vechtsporten (of krijgskunsten). Zij omhelzen alle vaardigheden en technieken (aanvallen, grijpen en wapens) van een samurai of een andere Japanse krijger. Budo en Bujutsu zijn in de moderne tijd opgesplitst en vertaald als karate-do (aanvallen), jiujitsu of judo (grijpen), aikido, kendo, iaido en kobudo (wapens).
Traditionele budo, van voor de Meiji-restauratie wordt vaak aangeduid met koryu bujutsu, terwijl de moderne budo martial arts met gendai budo worden aangeduid.
De oorsprong van Budo
Budo Een studie van de geschiedenis van Japan toont aan dat het land gedurende lange perioden bezeten was van vechten. Gevechten werden geleverd tussen rivaliserende groepen strijders; de edelste kaste van het oude Japan. Er waren niet alleen strijders, maar ook boeren, handelaars en 'horigen'. Van al dezen stonden de Bushikrijgslieden het hoogst in aanzien en uit hun gelederen kwamen de Japanse militaire leiders voort. De krijgerskaste was onderverdeeld in rangen. De Samurai wordt gebruikt in de betekenis van elke echte krijgsman.
Om hun bijzondere rang te behouden hadden de Bushifamilies meer nodig dan politiek besef en een goede beschaving. Ze moesten goed opgeleid worden in de technieken van oorlogvoering (Bujutsu). Er ontstond een grote vraag naar de bekwame krijgslieden om de jonge edelen de bekwaamheden van Bujutsu bij te brengen, namelijk paardrijden, boogschieten en de schermkunst.
De krijgslieden die Bujutsu onderwezen, wisten dat hun technieken goed werkten op het slagveld, want daar hadden zij zelf successen mee behaald. Een groot aantal ideeën en strategieën werd gebundeld in een speciaal leerplan of 'Ryu' Dat erop gericht was de krijgsman tot een onverslaanbare vechter te maken.
Naarmate het aantal oorlogen verminderde, was er minder behoefte aan krijgslieden en bovendien verleerden ze door gebrek aan training hun bekwaamheden. Zelfs het uitvechten van duels werd afgekeurd en de vroegere krijgslieden van het slagveld werden weg aangespoord om voorvechters van het gedicht te worden. Voor de krijgsman was het zwaard de belichaming van zijn kracht en moed, en toen een uitermate goed getrainde Bushistrijdmacht, met zwaarden bewapend, verslagen werd door een leger dienstplichtige boeren met geweren, werd duidelijk dat de oude militaire methoden niet langer bruikbaar waren.
De bushi richtten zich om die reden op een andere manier van beoefenen van de krijgskunsten. Deze nieuwe methode heette Budo en kwam in plaats van hun geliefde Bujutsu. Nadat de strijder beroofd was van zijn recht om met het zwaard op het slagveld te zegevieren, werd hij de krijgsman van de 'Dojo' of de plaats waar men de 'Methode' of 'weg' beoefent. Het gevecht kon alleen nog maar plaatsvinden in een geregelementeerde gevechtsvorm.
Door de omschakeling van 'Jutsu' naar 'Do' was de beoefening van de krijgskunsten minder toegespitst op leven en dood en meer op de geestelijke ontwikkeling en karaktervorming van de student.